Prof. dr. Theo Wagener | Emeritus hoogleraar &
internist-oncoloog
‘Gedegen onderzoek is het enige alternatief’
Emeritus hoogleraar prof. dr. Theo Wagener heeft zich gedurende
zijn gehele loopbaan ingezet voor mensen met kanker aan het
Universitair Medisch Centrum St. Radboud in Nijmegen. Als geen
ander heeft hij het onderzoek naar deze ziekte jarenlang van
dichtbij meegemaakt. Zelfs nu hij is gestopt als internist-oncoloog
blijft hij uiterst betrokken. “Mensen vertellen dat je niets meer
voor ze kunt doen, is de vervelendste taak van een arts. Dat
wil je doorbreken.”
Tijdens een bewogen gesprek legt hij uit dat er drie
belangrijke redenen zijn voor het verrichten van klinisch
onderzoek. “Op de afdeling medische oncologie waar ik werkzaam was,
werden we vaak geconfronteerd met patiënten met uitzaaiingen. Dat
is natuurlijk een heel vervelende confrontatie. Je kunt die mensen
meestal slechts tijdelijk helpen, maar geen echte oplossing bieden.
Gelukkig geneest op dit moment circa de helft van de mensen met
kanker. Het probleem is dat de andere helft níet geneest. Die
mensen wil je wel graag helpen. Dat is de belangrijkste reden om je
in te spannen om de behandeling van deze ziekte écht een stap
verder te brengen.”
Goede ontwikkelingen
Een andere reden is het terugdringen van de bijwerkingen die
tijdens een behandeling kunnen optreden. “Sommige therapieën zijn
erg belastend voor de patiënt. Gelukkig zijn er de laatste jaren
ontzettend veel goede ontwikkelingen geweest om bijvoorbeeld
misselijkheid en braken bij chemotherapie terug te dringen, maar
het probleem is nog niet helemaal opgelost. Daarnaast zijn er
mogelijkheden gekomen om de verminderde aanmaak van bloedcellen op
te vangen. Ondanks deze vooruitgang blijven er nog heel veel zaken
over. Klachten waarop we het antwoord niet altijd kunnen geven. Ik
denk aan jeuk, vermoeidheid en pijnklachten. Daar schud je niet
1-2-3 een behandeling voor uit de mouw. Daar moet je onderzoek naar
doen.”
Een derde belangrijke reden is om te onderzoeken of de mooie
resultaten die bij dier- en laboratoriumonderzoek zijn beschreven
ook bij de mens worden gevonden. Want de mens zit veel
ingewikkelder in elkaar dan we denken. “Als we op basis van ons
verstand menen te weten wat goed is voor een patiënt, dan maken we
vaak fouten. Zelf iets bedenken op basis van ons grote ‘intellect’
blijkt nogal eens anders uit te pakken”, zegt prof. dr. Theo
Wagener.
Hij noemt enkele voorbeelden: “Vroeger werd aangenomen dat
melk(producten) niet goed waren voor niersteenpatiënten. Uit
Amerikaans onderzoek, waaraan duizenden mensen deelnamen, bleek dat
kalkrijke producten juist goed zijn voor deze patiënten. Dus
precies het tegenovergestelde! Ander voorbeeld: mensen die na een
hartinfarct last hadden van een onregelmatige hartslag, kregen een
tijdlang een medicijn voorgeschreven om het hartritme tot rust te
brengen. Later bleek uit een onderzoek dat in de groep patiënten
die dit middel kregen juist méér doden vielen. Die behandeling is
toen uiteraard onmiddellijk gestopt. We dachten dat het logisch
was. Maar toch zaten we op de verkeerde weg. Daarom is gedegen
onderzoek het enige alternatief om wanordelijke invoering van
modieuze, vaak zelf bedachte, therapieën te voorkomen.”
Betrouwbaar antwoord
Volgens professor Wagener is het goed om te weten dat klinische
onderzoeken uiterst zorgvuldig worden opgezet. Ze moeten onder meer
voldoen aan strenge voorwaarden van de medisch ethische commissie.
Men onderscheidt3 fasen van onderzoek. Bij fase I-onderzoek wordt
vastgesteld of een middel goed wordt verdragen, wat de beste dosis
is en hoe het middel toegediend moet worden. In een fase
II-onderzoek gaat men na welke soort kanker gevoelig is voor het
middel en bij een fase III-onderzoek wordt onderzocht welke
behandeling het beste is.
Twee belangrijke begrippen bij een fase III-onderzoek zijn
randomisatie en stratificatie. Randomisatie betekent dat in een
studie de ene groep patiënten een standaardbehandeling krijgt en de
andere groep de nieuwe behandeling. “De ene groep patiënten krijgt
dan bijvoorbeeld de standaardbehandeling en de andere groep een
nagenoeg identieke behandeling die alleen op detail afwijkt,
bijvoorbeeld qua dosering. Bij dit onderzoek gaat het dus om een
vergelijking om vast te stellen welke dosering het beste is.”
Stratificatie is ook erg belangrijk. Populair uitgedrukt wil dat
zeggen dat je geen appels en peren mag vergelijken. Professor
Wagener: “Stel ik doe onderzoek naar patiënten met borstkanker. De
ene patiënte heeft één positieve lymfeklier, de ander heeft er acht
en een derde heeft er geen. De uitslag van zo’n onderzoek geeft dus
geen betrouwbaar antwoord op de vraag hoe je vrouwen met één
positieve lymfeklier moet behandelen. Bij aanvang van een studie
moet daarom duidelijk zijn aan welke criteria patiënten moeten
voldoen en hoeveel mensen nodig zijn om een betrouwbaar antwoord te
krijgen. Als dat aantal niet reëel haalbaar is, geeft de ethische
commissie géén toestemming.”
Doelwittherapie
In zijn boek ‘Geschiedenis van de oncologie’ beschrijft prof.
dr. Theo Wagener de behandeling van kanker vanaf de oudheid en de
vele ontwikkelingen en ontdekkingen die sindsdien zijn gedaan op
het gebied van onder meer chirurgie, radiotherapie en
chemotherapie. Hij verwacht in de nabije toekomst veel van de
zogeheten doelwittherapie (targeted therapy), een relatief nieuwe,
veelbelovende behandeling met medicijnen die kankercellen
doelgericht aanpakken. Dit in tegenstelling tot de normale
chemotherapie, waarbij ook gezonde cellen schade oplopen.
“Er worden circa 15.000 nieuwe stoffen per jaar onderzocht op
eventuele werkzaamheid bij kanker. Slechts 1 op 1.000 gaat
uiteindelijk naar de kliniek, nadat ze op allerlei manieren zijn
getest. Het is dus niet het eerste het beste stofje wanneer
besloten wordt om een trial te starten in de kliniek.” Om sneller
antwoorden te krijgen op onderzoeksvragen zijn er volgens hem meer
patiënten nodig die mee willen doen aan klinisch onderzoek.”
Belangrijk
Bij fase I en II-onderzoek zijn er circa 30 tot 50 patiënten
nodig, maar voor fase III-onderzoek gaat het soms om duizenden
patiënten. In de praktijk blijkt dat slechts vier tot vijf procent
van de patiënten deelneemt aan onderzoek. Dat is heel weinig. Het
duurt dus lang voordat de resultaten van een onderzoek bekend zijn.
“Ik zou patiënten daarom willen aanraden: komt u in eerste
instantie in aanmerking voor een standaardbehandeling, maar is er
daarnaast een standaard behandeling in onderzoeksverband
beschikbaar, dan adviseer ik ‘Doe mee aan dat onderzoek’. Als dat
voor u niet meer mogelijk is, zou ik,via de behandelend specialist,
nagaan of er in academische ziekenhuizen en gespecialiseerde centra
fase I of fase II-onderzoeken lopen. Want ook daarbij zijn de
kansen zeker niet ‘nul’.”
Professor Wagener heeft als medisch-oncoloog veel patiënten zien
doodgaan. Gebeurtenissen die hem diep hebben geraakt. “Als je
mensen moet vertellen met wie je vriendschapsbanden hebt opgebouwd
dat je niets meer voor ze kunt doen, is dat het ergste wat er is.
Dat wil je doorbreken. Daarom is het belangrijk om zoveel mogelijk
onderzoek te doen, anders komen we daar nooit uit. Je kunt wel
zeggen: ik vind dat onderzoek niet nodig. Maar dan hadden we nu ook
geen penicilline gehad en zoveel andere goede behandelingen.”